Dieptegesteenten. (Algemeen)

Dieptegesteenten. (Plutonieten)

 Deze gesteenten zijn gevormd door stolling van het aardmagma op een aantal kilometers diepte. Over het algemeen zijn ze langzaam en gelijkmatig afgekoeld, waardoor de mineralen allemaal goed zijn uitgekristalliseerd en er een gesteente met een gelijkkorrelige structuur is ontstaan. Tijdens het stollingsproces stollen alle mineralen echter niet bij dezelfde temperatuur. De mineralen die stollen bij de hoogste temperaturen hebben binnen het magma alle ruimte om uit te kristalliseren in de door hen gewenste vorm. Men noemt dit idiomorfe kristallen. De mineralen die pas stollen bij een lagere temperatuur moeten zich tevreden stellen met de overgebleven ruimten. Zij kunnen in die tussenliggende ruimten meestal geen eigen kristalvorm ontwikkelen maar moeten zich “aanpassen”. Zulke mineralen zonder eigen kristalvorm noemt men allotriomorf.

  

Ook de afkoelingssnelheid van het magma is belangrijk. Hoe langzamer het magma afkoelt, des te groter kristallen er worden gevormd. Aan de hand van de snelheid van afkoeling worden gesteenten dan ook ingedeeld in fijnkorrelig, middelkorrelig en grofkorrelig.
Magma verschilt heel erg in samenstelling. De bestanddelen (gesteente vormende mineralen) zijn vaak heel verschillend. Juist deze bestanddelen bepalen de aard van het gesteente dat zal ontstaan bij stolling. Naast deze kenmerkende mineralen, zijn er in elk gesteente andere mineralen in kleine hoeveelheden aanwezig. Men noemt dit assessorische mineralen.
Aan de hand van de aanwezigheid van bepaalde kenmerkende mineralen zijn de Dieptegesteenten te verdelen in vier hoofdgroepen: graniet, dioriet, gabbro en syeniet. Elk hoofdtype heeft subtypen. Bovendien zijn er allerlei overgangstypen
.

De grote magmalichamen, die in het onderste deel van de aardkorst zijn doorgedrongen en daar langzaam afkoelen tot dieptegesteenten, noemt men batholieten. Deze batholieten kunnen sterk in grootte verschillen. De grootte kan variëren van enkele honderden km2 tot wel 25.000 km2. Soms probeert het magma ten gevolge van hoge druk, door de aardkorst  heen te breken. Dit lukt echter niet altijd. In dat geval stolt het magma in de aardkorst en ontstaan z.g. ganggesteenten. De ruimtes (vaak gangen en spleten), waarin dit proces plaatsvindt, noemt men laccolieten. (Zie verder bij “Ganggesteenten”). Na beëindiging van het stollingsproces kan de soms enkele tientallen km dikke aardkorst door erosie verdwijnen en komen de gevormde gesteenten aan het aardoppervlak te liggen.

 

~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~

 

 

 

  • a. Diorieten

    • 1. Dioriet. Nij Beets.
    • 2. Detail van foto 1
    • 3. Dioriet. Noord-Bergum
    • 4. Glimmerdioriet. Een.
    • 5. Dioriet. Nij Beets.
    • 6. Dioriet. Drogeham.
    • 7. Dioriet. Drogeham. Buitenkant.
    • 8. Dioriet. Schuilenburg
    • 9. Detail van foto 8

    Diorieten. (Meest > 1 miljard jaren)

    Diorieten bestaan voornamelijk uit de mineralen plagioklaas en amfibool (hoornblende). Deze hoornblende kristallen zijn meestal aaneengegroeid tot aggregaten. Ze zijn altijd donker van kleur. Het gesteente vertoont gewoonlijk dan ook een bont, zwartwit, gevlekt uiterlijk. Soms kan er ook wat biotiet en augiet in het gesteente voorkomen, evenals kwarts. Monzodioriet is een variant metroodachtige kaliveldspaat

     

    Tussen dioriet en graniet bestaan overgangen. In de zwerfsteenkunde hanteert men hiervoor de naam granodiorieten.  Deze gesteenten hebben naast de gebruikelijke diorietvormende mineralen een vrij groot gehalte aan kwarts en kaliveldspaat. (orthoklaas).
    Diorieten vertonen als zwerfsteen nog al eens een poederige aanblik. Dit komt doordat de plagioklaas aan de oppervlakte van de steen snel verweert. Diorieten en gabbro’s zijn wel eens moeilijk van elkaar te onderscheiden. Een vuistregel is, dat in diorieten plagioklaas in duidelijk groter percentage aanwezig is dan de donkere mineralen. Bij gabbro’s is dit net andersom. Ook is de amfibool in dioriet meestal zwart van kleur. Bij gabbro’s is de kleur vaak iets groenachtig.

     

    In de geologie worden tegenwoordig de gesteenten, die in de zwerfsteenkunde de naam diorieten hebben gekregen, ingedeeld in verschillende soorten. De naam dioriet krijgen alleen de stenen, waarvan de “lichtgekleurde” mineralen (veldspaten en kwarts) voor minder dan 5% uit kwarts bestaan en die geen of zeer weinig kaliveldspaat bevatten. (<10%) Is in de onderlinge verhouding tussen kaliveldspaat en plagioklaas het aandeel van de plagioklaas tussen 65% en 90% dan spreekt men van een monzodioriet. Het voorvoegsel "Monzo" wordt gebruikt omdat kaliveldspaat een mineraal is, dat in een dioriet eigenlijk niet thuis hoort. Bij een groter percentage kwarts (< 20%) spreekt men van een kwartsdioriet. Bij andere mineraalverhoudingen hanteert men nog weer andere namen.

    Op het Streckeisen diagram nemen zuivere diorieten maar een kleine plaats in. Een aantal stenen die met de naam dioriet worden aangeduid zullen waarschijnlijk thuishoren bij de kwartsdiorieten. Ook de microdiorieten, die in het verleden werden benoemd als "diorietapliet" horen thuis bij de gewone diorieten.

     

    ##################################
     

  • b. Granieten

    • 1. Siljangraniet. N.O.P.
    • 2. Rots. Gesundaberget. Zw.
    • 3. Detail van foto 2.
    • 4. Rots. Rossberget.
    • 5. Rots. Rossberget.
    • 6. Detail van foto 5.
    • 7. Bohuslangraniet. Rots. Hunnebostrand. Zw.
    • 8. Revsundgraniet. Rots. Zw.
    • 9. Graniet van Harjedalen. Als.
    • 10. Detail van foto 9.
    • 11. Rapakivigraniet. Emmerschans.
    • 12. Prickgraniet. Sarup Strand. DK
    • 13. Filipstadgraniet. Molenend.
    • 14. Detail van foto 13
    • 15. Smalandgraniet. Gedeformeerd) Haule
    • 16. Graniet. Als. DK
    • 17. Detail van foto16.
    • 18. Graniet. Frydendal. Als.
    • 19. Detail van foto 18.

    Graniet. (Tussen 1,9 -0,3 miljard jaren)

    Graniet is het meest voorkomende stollingsgesteente. Het komt voor in allerlei vormen, structuren en kleuren. Het gesteente bestaat vooral uit kaliveldspaat. (orthoklaas, microklien). Verder behoren kwarts en biotiet tot de vast voorkomende mineralen. In verreweg de meeste granieten komt bovendien meer of minder plagioklaas voor. Ook hoornblende komt veel voor. Vaak samen met biotiet. Deze mineralen vullen gewoonlijk de ruimten die zijn overgebleven na stolling van de kaliveldspaten. Verder bevat het gesteente gewoonlijk nog allerlei assessorische mineralen. Deze mineralen spelen nog al eens een rol bij het determineren van het gesteente. Bijv. het voorkomen van titaniet in Rätangraniet.
    Als het kwartspercentage van kwarts en veldspaten als totaal niet meer dan 5% bedraagt, dan noemt men het gesteente een syeniet . Als van de veldspaten het percentage plagioklaas tussen de 35% en 65% ligt, spreken we van een monzoniet. Uitzonderingen op deze regel zijn de vele gidsgesteenten, die ook bij afwijkende percentages hun namen uit de zwerfsteenkunde behouden.
    Soms bevat het gesteente bijna geen donkere mineralen. We spreken dan van een zure graniet. Veel granieten tonen op een of andere manier deformatieverschijnselen. (bijv. suikerkorrelige kwarts of gelaagdheid). Als de deformatieverschijnselen duidelijk naar voren komen spreken we van een gneisgraniet. De
    Loftahammergneisgranieten en de Bornholmstreepgranieten zijn daarvan goede voorbeelden. De meest opvallende granieten zijn waarschijnlijk de rapakivi’s.
    We tonen nu een aantal granietvariëteiten. Enkele van het enorme aantal soorten.

     

    Geel = Syenograniet  Oranje = Monzograniet.

    Niet alle stenen die in de zwerfsteenkunde als graniet worden beschouwd behoren geologisch ook bij de granieten. Sorselegranieten behoren bijvoorbeeld door hun geringe kwartsgehalte vaak tot de Kwartssyenieten. Rönnegranieten zijn vaak Granodiorieten omdat de steen veel meer plagioklaas dan kaliveldspaat bevat. 

     

    +++++++++++++++++++++++++++++++++

  • c. Granodiorieten

    • 1. Granodioriet. Emmerschans
    • 2. Detail van 1

    Granodiorieten.

    Granodioriet is een overgangsgesteente tussen graniet en dioriet. De meest voorkomende mineralen in dioriet (plagioklaas en hoornblende) worden in dit gesteente aangevuld met kaliveldspaat en kwarts, waarbij het percentage plagioklaas duidelijk groter is dan dat van de kaliveldspaat. Zwerfstenen van Granodioriet vertonen aan de buitenkant nog al eens bruine roestvlekken. Op foto 1 is dit linksboven goed zichtbaar.
    De naam granodioriet wordt weer bepaald door de onderlinge verhoudingen van kwarts, alkaliveldspaat en plagioklaas. Ruwweg kunnen we zeggen, dat wanneer in een dergelijke steen matig tot veel kwarts voorkomt en er in de steen ongeveer twee keer zoveel lichtgekleurde plagioklaas voorkomt dan meestal roodachtige kaliveldspaat, we te maken hebben met een granodioriet. Het percentage donkere mineralen is hierbij niet belangrijk. 

    Het is bij granodiorieten vaak moeilijk om de plagioklaas van de kaliveldspaat te onderscheiden. Beide mineralen zijn vaak witachtig van kleur. Het gehalte aan donkere donkere mineralen (biotiet, hoornblende) is in granodiorieten echter groter dan in graniet. Een groot percentage aan donkere mineralen is dan ook vaak een aanwijzing, dat de steen tot de granodiorieten behoort.

     

    ^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^

  • d. Monzonieten

    • 1. Monzoniet. Surhuisterveen.
    • 2. Detail van foto 1.
    • 3. Monzoniet. Opende
    • 4. Monzoniet. Omg. Klein Waabs. D
    • 5. Detail van foto 3.
    • 6. Kwartsmonzoniet. Hasmark. Fünen. Dk.
    • 7. Detail van foto 6.

    Monzonieten (> 1 miljard jaren)

    Monzonieten zijn dieptegesteenten, waarbij in de onderlinge verhoudingen tussen kwarts en veldspaten (plagioklaas en alkaliveldspaat) het kwartsgehalte <5% moet zijn. Als de kwarts 5%-20% van de verdeling uitmaakt, dan spreekt men van een Kwartsmonzoniet. In de onderlinge verhoudingen tussen alkaliveldspaat en plagioklaas moet het percentage plagioklaas bij beide steensoorten tussen 35% en 65% liggen. Bij een niet al te grote wijziging in de percentages krijgt men gesteenten waarbij de naam “Monzo” voor een bepaalde gesteentenaam wordt geplaatst, zoals bijv. Monzogranieten en Monzodiorieten.
    Plagioklaas en kaliveldspaat zijn dus de meest voorkomende mineralen. De plagioklaas is meestal licht van kleur, maar kan ook groenachtig zijn, zoals bijv. in Zweedse variëteiten. Donkere mineralen komen voor in de vorm van pyroxeen en biotiet. Deze mineralen kunnen zowel zwarte korrels als aggregaten vormen. Uiteraard is het voor de zwerfsteenliefhebber die hoogstens met behulp van een loep de naam van een steen probeert vast te stellen wel eens moeilijk om  de  percentages van kwarts, plagioklaas en alkaliveldspaat vast te stellen.   Een eenvoudiger regel die men wel hanteert is dan ook, dat in een monzoniet het gehalte aan plagioklaas minstens even hoog moet zijn dan dat van de kaliveldspaat. De monzonieten met groenachtige plagioklaas zijn nogal eens moeilijk te onderscheiden van gedeformeerde Rätangranieten. Deze stenen bevatten  echter kleine witgele korreltjes van titaniet, die vaak met het blote oog al zichtbaar zijn. Een vergelijking kunt u maken via de volgende link:

    https://zwerfsteenweb.nl/steensoorten/R%C3%A4tangraniet.-Gedeformeerd.-.html

     

    Streckeisen diagram

    Geel = monzoniet  Oranje = kwarts-monzoniet

    <><><><><><><><><><><><><><><><><>

  • e. Syenieten

    • 1. .Syeniet. Schoonloo
    • 2. Oslosyeniet. Kas Strand. DK
    • 3. Nefeliensyeniet. Oddesund. DK
    • 4. Syeniet. Naesby Dale. DK.
    • 5. Kwartssyeniet. Frydendal. Als.
    • 6. Detail van foto 5.
    • 7. Syeniet. Type : Vaggaryd. Ny Pol. Als. Dk.
    • 8. Detail van foto 7.

    Syenieten

    Syenieten zijn volgens Smed gesteenten met meer al kaliveldspaat dan plagioklaas. Hellinga spreekt van “een graniet waarin de kwarts ontbreekt”. Net als de monzonieten vertonen syenieten wat samenstelling betreft veel overeenkomsten met graniet. Het kwartspercentage van de licht gekleurde mineralen moet in syenieten en syenitische gesteenten echter < 20% zijn. 
    Over het algemeen zijn syenieten lichtgekleurde dieptegesteenten, die vooral uit alkaliveldspaat bestaan.
    Een tweede soort syenieten zijn de nefeliensyenieten.  In deze syenieten is kwarts vervangen door nefelien. Dit is het geval, als zich in het magma waaruit de steen is ontstaan te weinig SiO2 aanwezig was voor uitkristallisatie van alkaliveldspaten.Uit het restmagma ontstaat dan nefelien.
    Nefelien is wit, grijs of bruin van kleur en heeft een glasachtige glans.
    Donkere mineralen kunnen in beide soorten syenieten in ruime mate aanwezig zijn in de vorm van biotiet, pyroxeen en amfibool.  De beide laatste mineraalsoorten komen we vooral tegen in de nefeliensyenieten uit het Oslogebied.
    Soms komt in syenieten zichtbare plagioklaas voor. Dergelijke stenen worden wel aangeduid met de naam Monzosyeniet. Nefeliensyenieten komen vooral voor in het Oslogebied.

     

      

    1. Syenieten en nefelien houdende syenieten.  2. Nefelien syenieten.

     

    In de Streckeisen diagrammen wordt uitgegaan van maar liefst acht  soorten syenieten. Waarvan er twee behoren bij de nefeliensyenieten. (2e diagram).
    Tot de nefelienvrije syenieten behoren o.a. de Vaggerydsyenieten uit Småland.  Lardaliet en Foyaiet, allebei uit het Oslogebied, zijn bekende nefeliensyenieten.

     

    Terug naar Stollingsgesteenten.                             Terug naar Startpagina

     

    =-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=