Ganggesteenten

Ganggesteenten

Ganggesteenten worden gevormd tussen het aardoppervlak en een magmahaard. De vorming vindt dus plaats op geringere diepte dan het ontstaan van dieptegesteenten. Ze staan eigenlijk tussen dieptegesteenten en uitvloeiingsgesteenten in en bevatten eigenschappen van beide soorten gesteenten. Vaak vindt vorming plaats op plekken, waar het magma heeft geprobeerd door de aardkorst heen te breken, maar waar dit niet is gelukt. Door deze activiteiten ontstaan er vaak allerlei scheuren, spleten (gangen) en ruimtes, waarin onder hoge magma wordt geperst. Afhankelijk van de afkoelingssnelheid en de samenstelling van het magma ontstaan onder grote constante druk een aantal gesteenten, die er sterk verschillend kunnen uitzien. Gewoonlijk is de afkoelingssnelheid sneller dan bij de dieptegesteenten waardoor fijnkorrelige gesteenten ontstaan zoals bijv. apliet. Er kunnen echter ook sterk grofkorrelige gesteenten worden gevormd, zoals pegmatiet. Ook echte dieptegesteenten en gesteenten die gewoonlijk thuishoren bij de uitvloeiingsgesteenten kunnen voorkomen als ganggesteenten. (Bijv. Rhombenporfier) Er zijn echter ook een aantal specifieke ganggesteenten met eigen kenmerken. Ze worden beschouwd als een variant van de dieptegesteenten. We zullen in de volgende hoofdstukken aandacht besteden aan de meest voorkomende speciale typen ganggesteenten namelijk aplieten, pegmatieten, granofieren, en granietporfieren.
Vanwege de vele vormen wordt het ganggesteente diabaas in een apart hoofdstuk besproken
.

Waar vormen zich ganggesteenten?
A toont een magmahaard. Bij stolling verandert deze haard in een batholiet. Dit is een zeer groot lichaam, dat bestaat uit een kristallijn gesteente. Dit zijn de grootste gesteentelichamen in de aardkorst. Ze kunnen vele duizenden km2 groot zijn.
B is het aardoppervlak.
C = Rotsbodem die uit verschillende gesteenten bestaat.
D = Laccoliet. Een laccoliet is een groot magmalichaam niet ver onder het aardoppervlak. Deze grote magmalichamen koelen niet al te snel af, waardoor dieptegesteenten ontstaan. Ze zijn lensvormig met de ronde kant aan de bovenkant. Vaak worden bovenliggende lagen iets omhoog geduwd, waardoor een verhoging aan het aardoppervlak ontstaat.
E = Sill. Sills zijn dunne plaatvormige intrusielichamen van magma die via een gang omhoog zijn gestuwd. Ze ontstaan doordat magma zich niet verder verticaal door een bestaande rotslaag kan verspreiden, waardoor een horizontale uitbreiding plaats vindt. Sills kunnen heel klein zijn maar ook honderden meters dik en zich over veel kilometers uitstrekken.
F = Dikes. Dikes zijn verticale breuken in de aardkorst. Ze zijn ook zichtbaar aan het aardoppervlak, waar ze zeer lange gangen kunnen vormen van ganggesteente. Ze kunnen van heel smal tot honderden meters breed zijn en een lengte hebben van honderden kilometers.

  • a. aplieten

    • 1. Apliet. N.O.P.
    • 2. Hoornblendeapliet. N.O.P.
    • 3. Detail van foto 2.
    • 4. Pegmatiet met aplietgang. Kas Strand. DK
    • 5. Detail van 4.

    Aplieten.

    Aplieten zijn  fijnkorrelige ganggesteenten, die praktisch geheel bestaan uit kaliveldspaat en kwarts. Plagioklaas en donkere mineralen zoals biotiet zijn gewoonlijk niet of slechts in zeer kleine hoeveelheden aanwezig. Soms bevatten de stenen een beperkt aantal veldspaateerstelingen.  Aplieten zijn soms moeilijk te herkennen. Alleen als tussen kwarts en alkaliveldspaat, eventueel met een loep, grafische vergroeiingen zichtbaar zijn weet men dat de steen tot de aplieten behoort.  De fijnkorreligheid is ontstaan, doordat aplieten in tegenstelling tot pegmatieten snel zijn gestold. Ze zijn gewoonlijk ontstaan uit een granitisch, waterarm restmagma, dat zich in smalle gangen en spleten in reeds gestold gesteente bevond. Het stollingsproces vond voor de aanwezige mineralen tegelijk plaats, waardoor de kristallen niet volledig zijn en als een soort mozaïek in elkaar passen.
    Aplieten hebben meestal een wit/grijze of roodachtige kleur, waardoor vergissingen met zandsteen mogelijk zijn.
    Aplietgangen zijn smal. Gewoonlijk niet breder dan 50 cm. De randen van deze gangen lopen gewoonlijk opvallend parallel. In veel dieptegesteenten komen apliet en pegmatiet gezamenlijk voor. Soms zelfs samen in één gang. Het ene gesteente vult dan het midden van een gang en het
    andere gesteente de randen.
    Er bestaan ook fijnkorrelige gesteenten die veel op apliet lijken, maar die naast kwarts en alkaliveldspaat ook plagioklaas en meer dan 5% biotiet bevatten. In dat geval spreken we van microgranieten. Voorheen noemde men zulke gesteenten wel “aplietgranieten”, maar deze term is verouderd.
    Hetzelfde geldt voor diorieten en gabbro’s. Als dit soort stenen een zeer fijne grondmassa had sprak men van dioriet-aplieten of gabbro-aplieten. Tegenwoordig zijn het micro-diorieten en micro-ga
    bbro’s.


    Met betrekking tot de geologische benaming zullen de aplieten vooral thuishoren in het veld  van de alkaliveldspaat granieten.  Dit vanwege hun met granieten vergelijkbaar kwartsgehalte en het zeer geringe percentage aan plagioklaas.

  • b. Granietporfieren

    • 1. Granietporfier. Frydendal. Als. Dk
    • 2. Detail va foto 1.
    • 3. Granietporfier. Nij Beets.
    • 4. Detail van foto 3.
    • 5. Granietporfier.
    • 6. Granietporfier. Harkema.
    • 7. Detail van foto 6.
    • 8. Granietporfier. Nij Beets.
    • 9.
    • 10. Granietporfier. Nij Beets.
    • 11. Detail van foto 10.

    Granietporfieren.

    Granietprofieren hebben hetzelfde mineralenbestand als granieten en hebben ook een granitische samenstelling. Verschil met graniet zijn de vaak opvallende porfierische eerstelingen, die in een fijngranitische grondmassa liggen. Granietporfieren zijn van porfieren te onderscheiden door hun fijnkorrelige grondmassa. Als de grondmassa voor het oog dicht is spreken we van een porfier en is er waarschijnlijk sprake van een uitvloeiingsgesteente, waarvan de grondmassa is gestold aan het aardoppervlak. We spreken van granietporfieren als we met het blote oog in de grondmassa afzonderlijke mineralen kunnen onderscheiden. De stolling van granietporfieren is in de diepte begonnen als een normaal dieptegesteente. Daarbij hebben zich de porfierische eerstelingen gevormd. Vervolgens is het magma in een gang of spleet geperst. Hier ging de afkoeling veel langzamer dan bij porfieren waar de grondmassa aan het aardoppervlak zeer snel stolt. Door deze langzamere afkoeling konden de mineralen nog enigszins uitkristalliseren, waardoor een fijnkorrelig porfierachtig gesteente ontstond. Granietporfieren zijn veel voorkomende gesteenten. Smålandporfieren zoals Emarpporfier en Påskalavikporfier zijn eigenlijk granietporfieren, evenals verschillende kwartsporfieren van de Ălandeillanden, maar ze komen ook voor in andere gebieden.

  • c. Granofieren

    • 1. Granofier. Zuidhorn.
    • 2. Detail van foto 1.

    Granofieren.

    Een granofier is een ganggesteente, waarin de lichtgekleurde mineralen overheersen. (Felsisch) In het gesteente overheerst kwarts. In de petrologie/geologie hanteert men een percentage van minimaal 68%. De rest van het gesteente bestaat vooral uit veldspaat. Donkere mineralen zijn praktisch niet aanwezig.
    Granofieren komen weinig voor. Ze vormen een tussenvorm tussen het dieptegesteente graniet en het uitvloeiingsgsteente kwartsporfier (rhyoliet) Meestal worden de twee laatstgenoemde namen gebruikt. De naam granofier wordt dan ook niet meer algemeen gebruikt, maar komt in de zwerfsteenkunde nog wel voor.
    De grondmassa van granofieren heeft een mircografische textuur. Dat houdt in, dat deze grondmassa bestaat uit zeer fijne vergroeiingen van kwarts en veldspaat, te vergelijken met schriftgraniet.
    In deze grondmassa kunnen kristallen voorkomen van kwarts en veldspaat. Bekende granofierische gesteenten uit de zwerfsteenkunde zijn de Botnische granofier, de granofierische Ålandrapakivi en de granofierische Drammengraniet.
    Van de door ons getoonde steen is het herkomstgebied onbekend.
     

     

  • d. Pegmatieten (Granietisch)

    • 1. Pegmatiet. Rots. Omg. Stängehuved. Zw
    • 2. Pegmatiet. Rots. Omg. Stängehuved. Zw
    • 3. Pegmatiet. Nij Beets
    • 4. Pegmatiet. Nij Beets.
    • 5. Pegmatiet. Gedeformeerd. Opende.
    • 6. Pegmatiet. Gedeformeerd. Emmerschans.
    • 7. Pegmatiet. Werpeloh.
    • 8. Pegmatiet. Als. Dk.
    • 9. Pegmatiet. Opende.
    • 10. Detail van foto 13
    • 11. Pegmatiet. Gedeformeerd. Nij Beets.
    • 12. Detail van foto 15.
    • 13. Pegmatiet. Schoonloo.
    • 14. Detail van foto 13.
    • 15. Pegmatiet. Flyvesandet. Dk.
    • 16. Detail van foto 15.

    Pegmatieten Granietisch.  (> 1 miljard jaren)

    Evenals apliet wordt pegmatiet vooral gevormd in spleten en gangen die zich bevinden op zo’n 6 tot 8 km onder het aardoppervlak.  Deze gangen zijn meestal enkele meters breed. De randen van de gangen lopen over het algemeen minder parallel dan bij apliet. Pegmatieten zijn over het algemeen grootkorrelige tot extreem grootkorrelige gesteenten. Ze ontstaan vooral in granitisch magma.
    De meest voorkomende mineralen zijn kaliveldspaat (perthitische microklien) en kwarts. De kleur van de veldspaat is meestal wit, rood, roze oranje of geel. Plagioklaas in grotere hoeveelheden komt zelden voor. Ook biotiet en mica komen voor in kleine hoeveelheden. Kaliveldspaat en kwarts zijn nog al eens onregelmatig over het gesteente verdeeld. Zo kunnen er gedeelten voorkomen die of bijna geheel uit kaliveldspaat bestaan of bijna geheel uit kwarts.
    Pegmatieten ontstaan, net als aplieten, aan het eind van een stollingsproces uit een restmagma dat na stolling is overgebleven. Dit magma is erg vloeibaar waardoor het bij hoge druk gemakkelijk eveneens door hoge druk ontstane spleten en gangen wordt ingeperst.  De vloeibaarheid wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van relatief veel vluchtige stoffen zoals water. Deze vluchtige stoffen maken het restmagma dunner, waardoor de atomen zich beter kunnen bewegen en gelijksoortige elementen gemakkelijker aan elkaar kunnen klonteren. Bovendien ontstaan door de langzame afkoeling slechts weinig nieuwe kernen, zodat de kristallen een extreme grootte kunnen bereiken.
    Pegmatieten zijn bekend vanwege het feit, dat ze soms zeer zeldzame mineralen bevatten.
    Ook dit is het gevolg van het dunner worden van het magma. Vanwege het grote percentage vluchtige stoffen, kunnen de in het magma zwevende elementen zich aansluiten bij reeds bestaande kristallen van dezelfde soort en hechten ze niet aan bij kwarts- of veldspaatkristallen.
    Er is een theorie, die er van uit gaat dat pegmatieten bij hun vorming vijf stadia kunnen doorlopen. Verreweg de meeste pegmatieten zijn gevormd in het eerste stadium. Slecht enkele doorlopen alle stadia. Hoe meer stadia worden doorlopen des te meer zeldzame mineralen voor komen. Omdat slechts een zeer klein deel bij het stollingsproces alle stadia doorloopt, is het aantal exemplaren met zeldzame mineralen dan ook zeer klein. Er zijn eigenlijk twee groepen zeldzame mineralen belangrijk.  De eerste groep bestaat uit edelstenen zoals soorten beryl en toermalijn.
    De tweede groep bestaat uit zeer zeldzame metalen die worden gebruikt in elektronische apparaten. De kristallen kunnen zeer groot zijn. In de USA is een berylkristal gevonden, die 30 ton woog. In Noorwegen vond men veldspaatkristallen van 180 ton.
    Vaak vinden we bij pegmatieten ook schriftgranieten. Deze gesteenten komen in het volgende hoofdstuk aan de orde. Behalve granitische pegmatieten zijn er gabbro-pegmatieten, alkali syenietpegmatieten en vlammenpegmatieten. Alkalisyenietpegmatiet en vlammenpegmatiet worden bij de herkomstgebieden behandeld.
    Geologisch horen pegmatieten, net als aplieten bij de alkaliveldspaat granieten.

    x-x-x-x-x-x-x-x-x-x-x-x-x-x-x

  • e. Gabbro Pegmatiet

    • 1. Gabbro Pegmatiet. Kås Hoved. Dk
    • 2. Detail van foto 1.
    • 3. Gabbro Pegmatiet. Hostrup Strand. Dk
    • 4. Detail van foto 3.
    • 5. Gabbro Pegmatiet. Gyldendal.

    Gabbro Pegmatiet.

    Basisch magma bevat minder vluchtige stoffen dan felsisch (granitisch) magma. Dit betekent, dat dit magma een minder gunstige samenstelling heeft voor de vorming van pegmatieten dan het dunne granitische magma. Desondanks vormen ook mafische gesteenten als gabbro en dioriet in gangen en spleten soms pegmatieten, hoewel deze stenen beduidend zeldzamer zijn dan de granitische pegmatieten.
    De meest voorkomende mineralen in deze gesteenten zijn lichtgekleurde plagioklaas, augiet en de hoornblende variëteit oeraliet, die ontstaat ten gevolge van omzetting. Vaak ontstaat deze omzetting in zeer oude gesteenten.

     

    {}{}{}{}{}{}{}{}{}{}{}{}{}{}{}{}

  • f. Schriftgranieten

    • 1. Schriftgraniet. Rots. Noorwegen.
    • 2. Detail van foto 1.
    • 3. Schriftgraniet. Nij Beets.
    • 4. Schriftgraniet. Wit. Opende
    • 5. Schriftgraniet. Kollumerzwaag.
    • 6. Detail van foto 5.
    • 7. Schriftgraniet. De Eese.
    • 8. Schriftgraniet. Vadum Strand. Dk.
    • 9. Detail van foto 7.

    Schriftgranieten (> 1 miljard jaren)

    Schriftgraniet is een bijzondere vorm van granitische pegmatiet. Er is bij deze pegmatieten sprake van een vergroeiing tussen veldspaat en kwarts. De verhouding tussen beide mineralen is bij schriftgranieten gewoonlijk ongeveer gelijk n.l. veldspaat 75% en kwarts 25%. Afhankelijk van de richting waarin met het gesteente bekijkt ontstaat of een beeld met runenachtige vergroeiingen of er vertonen zich afwisselend parallelle strepen van microklien en kwarts. Over de ontstaanswijze van schriftgranieten bestaan verschilende meningen. De vergroeiingen schijnen op verschillende manieren te kunnen ontstaan, zowel door gelijktijdige kristallisatie als door latere omzetting. Evenals de "gewone" granitische pegmatieten zijn ook schriftgranieten uit een restmagma ontstaan in scheuren en gangen. Gewoonlijk zijn ze roze van kleur maar er komen ook witte exemplaren voor. Er zijn zowel fijne als groffe typen. Soms zijn schriftgranieten fraaie stenen, maar dit geldt niet voor alle exemplaren. De kans op een vondst van een mooi exemplaar is niet zo erg groot.

     

    Terug naar Stollingsgesteenten                             Terug naar Zwerfsteenweb