Geologische gesteentenamen

  • a. Streckeisen diagrammen.

    • 1. Streckeisen diagram. Dieptegesteenten.
    • 2. Streckeisen diagram. Vulkanieten.
    • 3. Streckeisen diagram.
    • 4. Streckeisen Diagram.

    Het QAPFdiagram.

    Vroeg of laat  komt de zwerfsteenverzamelaar in publicaties de z.g. “QAPF” benamingen van Streckeisen tegen.  Vandaar dat we er hier aandacht aan besteden.

    In de tweede helft van de vorige eeuw heeft de Zwitserse prof Streckeisen een methode ontwikkeld voor de determinatie van dieptegesteenten en vulkanieten. Hij deed dit door het ontwikkelen van twee diagrammen, waar geologen wereldwijd gebruik van kunnen maken. Hierdoor kan men wereldwijd dezelfde namen gebruiken voor een groot aantal gesteenten.  

    Door gebruik van de  in de diagrammen gebruikte namen weet iedere geoloog wat de mineralogische samenstelling is van een bepaald gesteente. Namen voor lokaal voorkomende gesteenten  zoals bijv. Venjanporfiriet  en Emarpporfier zeggen een geoloog uit bijv. Amerika niets. Gebruikt men voor die gesteenten de namen Daciet en Rhyoliet dan is bekend hoe de mineralogische samenstelling van deze gesteenten ongeveer is, maar over structuur, textuur, kleuren en herkomst zeggen dergelijke namen niets.

    In deze kenmerken is  de zwerfsteenverzamelaar  nu juist wel geïnteresseerd, evenals in het ontstaan van een gesteente. Vandaar dat men in de zwerfsteenkunde dan ook niet al te veel met de benamingen van Streckeisen kan beginnen.  Een tweede probleem is, dat men bij het determineren volgens Streckeisen de onderlinge verhoudingen tussen de mineralen in een steen moet vaststellen. Doet men dit met “het blote oog” dan is het nog al eens moeilijk om de percentages vast te stellen, waardoor een foute benaming het resultaat is.  De hulpmiddelen die hiervoor door wetenschappers worden gebruikt, zijn voor amateurs gewoonlijk niet bereikbaar.

    Om toch ook met eenvoudige hulpmiddelen  met de diagrammen te kunnen werken, is er een vereenvoudigde versie ontwikkeld waar alleen wordt gewerkt met de z.g. “Veldvarianten”. De stenenverzamelaar, die ook geïntresseerd is in de geologische benamingen kan daar eventueel gebruik van maken.  We komen verderop in dit hoofdstuk op de diagrammen met veldvarianten terug.

             

    Het bepalen van de gesteentenaam.

    We bekijken nu het diagram voor dieptegesteenten.  We zien,  dat het diagram eigenlijk  bestaat uit twee driehoeken, die door middel vande lijn A----------P met elkaar zijn verbonden. Bij de bovenste driehoek speelt Q (kwarts) een belangrijke rol. Bij gesteenten die thuishoren in de onderste driehoek is kwarts niet aanwezig, maar vervangen door  F. Deze F geeft  de z.g. foïden of veldspaatvervangers aan. Nefelien is het meest bekende mineraal uit deze groep. Bij de Scandinavische stenen komt het vooral voor,bij d gesteenten uit het Oslogebied, bijv. Lardaliet.  Hoe we de naam van een gesteente bepalen laten we zien m.b.v. de detailfoto hieronder.

    Als voorbeeld  nemen we een graniet. We moeten nu zo goed mogelijk de onderlinge verhouding schatten van de kwarts, plagioklaas en kaliveldspaat.  We maken de volgende totaalschatting:

    Donkere mineralen = 30%,    Kwarts (blauwachtig) = 25%,   Plagioklaas (grijsgroen) = 25%, Kaliveldspaat (Roodachtig) = 20%. De lichtgekleurde mineralen maken 70% uit van het geheel. Bij het bepalen van hun onderlinge verhouding moeten we hun percentages omrekenen naar 100%

    Kwarts =25/70 =  ± 36/100 = 36%.  Plagioklaas = 25/70 = ± 36/100 = ± 36 %  Kaliveldspaat = 20/70 = ± 28/100 = 28%

    Kijken we eerst naar de kwarts. Het percentage is 36%. Dit houdt in, dat de steen een naam heeft die afkomstig is uit het rood omrande gedeelte van het diagram  hierboven

    Nu moeten we nog bepalen, welke naam uit dat gedeelte op de steen van toepassing is. We bepalen daarvoor de z.g. “plagioklaaswaarde”.  Dit doen we door de onderlinge verhouding te berekenen tussen plagioklaas en kaliveldspaat. Het geheel van de twee waarden moeten we weer omrekenen naar 100%

    De drie lichte mineralen bestonden voor 36% uit plagioklaas en 28% uit kaliveldspaat. Samen 64%  Deze 64% moeten we omrekenen naar 100%  

    Plagioklaas = 36/64 = ± 56/100 = 56% . Voor kaliveldspaat blijft dan ± 44% over.

     

    Het percentage plagioklaas zetten we op de lijn A-------------------P  Bij punt P is het percentage plagioklaas 100% . Als dit in een steen het geval is, bevat het exemplaar geen kaliveldspaat.  Bij punt A geldt ditzelfde voor kaliveldspaat.  Als de verhouding plagioklaas-kaliveldspaat 56-44% is, ligt het omslagpunt bij het groene kruis.  We kunnen nu een groene lijn trekken vanuit punt Q naar het 56% punt. Deze lijn loopt dwars door het gedeelte van de monzograniet. Dus hoort deze vrij plagioklaasrijke graniet bij de monzogranieten. Zonder de lijn te trekken was dit trouwens al te zien. Als we de plaats van de steen in het diagram meer exact willen weten, kunnen we bij de kwartswaarde van 36% een lijn trekken. (geel)  De plaats van de steen is ongeveer op het snijpunt van de twee lijnen. Ook kunnen we de kwartswaarde  van 36% op de groene lijn aangeven. Dat is op de plaats van het rode kruis

    Het blijft zonder goede hulpmiddelen vaak een lastige zaak om de stenen volgens de Streckeisen benamingen te determineren. Men heeft daarom een vereenvoudigde versie met z.g. “Veldvarianten” ontwikkeld. Deze diagrammen tonen de hoofdindeling van de gesteenten. Als het lastig is stenen te determineren, met name bij de Vulkanieten, kan men zich beperken tot de namen van deze veldvarianten.