Verklaring begrippen.

  • a. A-E

    • 1. Allotriomorfe kwarts.
    • 2. Amandels in diabaas.
    • 3. Arkose.
    • 4. Eerstelingen/Fenokristen.
    • 5. Gecorrodeerde kwartsen.

    Achaten.
    Achaten zijn gelaagde afzettingen van chalcedoon en kwarts in holten van kiezelrijke gesteenten. De verschillende laagjes zijn dun. Ze hebben zich precies volgens de vorm van de wanden afgezet, waardoor een mooi lijnen- en kleurenspel ontstaat.

    Agglomeraat
    Een samenklontering van kristallen van hetzelfde mineraal in een meestal onregelmatige vorm.

    Allotriomorf
    Allotriomorfe kristallisatie is een vorm van kristallisatie, waarbij een kristal niet de eigen kristalvorm kan bepalen, maar waarbij de groei sterk wordt belemmerd door omringende mineralen. Een ander woord voor dit proces is xenomorf.

    Amandel
    Een amandel ontstaat als een door ontsnapt gas ontstane holte in een uitvloeiingsgesteente wordt opgevuld met mineralen, bijv. kalkspaat

    Aplitisch.
    Met een suikerkorrelige massa van zeer kleine kwartskorreltjes en kaliveldspaten.

    Arkose
    Arkose is eigenlijk een zandsteenconglomeraat, waarin nogal wat veldspaat zit.

    Aureool
    Een aureool is hetzelfde als een reactierand.

    Corrosie/Gecorrodeerd
    Corrosie van mineralen vindt vooral plaats bij kwarts en veldspaat. Het komt voor, al gestolde kristallen in een latere fase van de stolling opnieuw opsmelten. Ze verliezen hierbij hun oorspronkelijke vorm, lijken soms wat verbrokkeld en vertonen vaak allerlei insluitsels in de vorm van strepen en aders, die gevuld zijn met materiaal uit de grondmassa. Kwartsen krijgen vaak een ronde vorm, zoals bijv. in bepaalde Ålandgesteenten.
     

    Deformatie
    Deformatie is een verandering van de structuur van een gesteente, die ontstaat door grote druk en hoge temperaturen, waardoor het gesteente langzaam verandert.

    Eersteling
    Eerstelingen of fenokristen in een gesteente zijn verspreid liggende vaak vrij grote tot grote goedgevormde kristallen in een dichte grondmassa of een grondmassa die uit veel kleinere kristallen bestaat. Veel porfieren geven mooie voorbeelden. 

     

  • b. F-J

    • 1. Fenokristen.
    • 2. Ignimbriet met fluïdale stroming.
    • 3. Grafische vergroeiingen van kwarts en kaliveldspaat.
    • 4. Granofirische vergroeiingen in rapakivi.
    • 5. Idiomorfe perthitische hoekige veldspaten.

    Fenokristen.
    Dit is een ander woord voor “Eerstelingen” en “Megakristen””

    Fluïdaalstructuur
    Gesteenten hebben een fluïdale structuur als in de grondmassa de stroming van het magma duidelijk zichtbaar is, zoals bijv. bij ignimbrieten uit Dalarna.

    Gidsgesteente
    Een gidsgesteente is een gesteente waarvan vast staat waar het gesteente vandaan komt en tevens moet dat de enige plaats zijn waar het voorkomt.

    Grafische vergroeiing
    Hiermee worden verschillende typen vergroeiingen tussen kwarts en veldspaat bedoeld, zoals we die in het groot tegenkomen in schriftgraniet. Het enige verschil is, dat de vergroeiingen veel kleiner zijn..
     

    Granofirisch
    Zoals in granofier. Dat houdt in, dat zich in het gesteente kleine “wormvormige” vergroeiingen tussen kwarts en veldspaat bevinden. (Myrmikiet).

    Idiomorf
    Een kristal is idiomorf uitgekristalliseerd als het zelf zijn kristallisatievorm heeft bepaald en tijdens het stollingsproces de vorm niet is bepaald door andere mineralen in het gesteente. Allitriomorfe kristallisatie is de tegenhanger. Dan hebben andere mineralen de (afwijkende) vorm van het kristal bepaald.
     

     

  • c. K-O

    • 1. Karlsbader Tweeling.
    • 2. Kristallijne graniet.
    • 3. Vrije idiomorfe kwartsen.
    • 4. Kwartsklonters.
    • 5. Miarolitische holte in een rapakivigesteente.
    • 6. Witte ovoïde in Laitilarapakivi.

    Karlsbader Tweeling.
    Karlsbader Tweelingen zijn eerstelingen, waarvan de ene helft van het kristal volgens een gemeenschappelijke as 180 graden is gedraaid. Als een splijtvlak bij een bepaalde lichtinval spiegelt, dan geldt dit maar voor de helft van het kristal. Wil men de andere helft ook zien spiegelen, dan moet de eersteling dus worden gedraaid.

    Kristallijn
    Een gesteente is kristallijn, als het een uitgekristalliseerd gesteente betreft met min of meer goede vormen. Dit in gegenstelling tot bijv. sedimenten.

    Megakrist.
    Een kristal in een stollings- of metamorf gesteente, dat duidelijk groter is dan de kristalletjes in de grondmassa. Synoniem voor fenokristen en eerstelingen.

    Metamorfose
    Metamorfose is het verschijnsel, dat sedimenten of dieptegesteenten onder invloed van grote druk of hoge temperaturen in (deels) andere gesteenten worden omgezet. Deze verandering vindt plaats zonder dat er opsmelting plaats vindt.

    Metasomatose
    Een verregaande omzetting van een gesteente. Tijdens deze omzetting vindt toevoer plaats van nieuw materiaal.

    Microgranitisch
    Een samenstelling van meestal de grondmassa van een gesteente, die grotendeels overeenkomt met die van graniet. Alleen is dit met het blote oog niet zichtbaar.

    Miarolitisch
    In sommige gesteenten komen miarolitische holten voor. Dit zijn holten, die niet helemaal zijn opgevuld met kristallen. Dit houdt in, dat de kristalletjes alle ruimte hadden om goed uit te kristallisen waardoor ze vaak goed zichtbaar zijn.

    Micropegmatiet
    (Zie ook granofierische vergroeiing en (fijn)grafische vergroeiing.)
    Vooral in verschillende granieten met veel veldspaat komen soms kleine vergroeiingen voor van kwarts en veldspaat. (Schriftgraniet in het klein). Tegenwoordig wordt deze benaming niet meer gebruikt

    Oligoklaas
    Dit is de meest voorkomende plagioklaassoort. We zien het mineraal vooral als lcihtgekleurde mantel om de ovoïden van de rapakivi’s.

    Ophitisch
    Een gesteente is ophitisch, als een mineraal zonder eigen mineraalvorm een ander mineraal dat duidelijke kristalgrensen heeft, omgeeft. Vaak is dit augiet rondom plagioklaas.

    Ovoïden
    Ovoïden zijn ronde eerstelingen zoals die voorkomen in rapakivi’s en Viborgieten.

     

  • d. P-T

    • 1. Perthitische veldspaten in Lemlandgraniet.
    • 2. Kwartsen met een reactierand in Ålandgraniet.
    • 3. Schriftgranitische vergroeiingen tussen kwarts en veldspaat.
    • 4. Suikerkorrelige kwarts in Botnische gneisgraniet.

    Perthitisch.
    Eerstelingen zijn nogal eens perthitisch. Dit houdt in, dat we in de eersteling een aantal evenwijdig lopende “lijntjes” of onregelmatige vlekjes van plagioklaas zien in deze eerstelingen van kaliveldspaat.

    Porfiroblasten.
    Porfiroblasten zijn de “eerstelingen” of “veldpaten” van de metamorfe gesteenten. Men gebruikt echter een andere benaming, omdat de ontstaanswijze in metamorfe gesteenten anders is dan in stollingsgesteenten. Eerstelingen ontstaan in Stollingsgesteenten, als het magma langzaam afkoelt. Porfiroblasten ontstaan bij metamorfose of gedeeltelijke opsmelting van een metamorf gesteente als (meest lichtgekleurde) mineralen zich verplaatsen, opeenhopen en daarna stollen.

    Reactierand.
    Hiermee bedoelt men een rand om een kristal, die is ontstaan uit een chemische reactie tussen het betreffende kristal en het omringende magma.

    Schriftgranitische vergroeiing.
    Schriftgranitische vergroeiingen ontstaan als in een smelt van gelijke samenstelling veldspaat en kwarts tegelijk stollen, zodat geen eigen kristalvorm kan ontstaan. Dit is een afwijkend proces, omdat mineralen gewoonlijk stollen bij verschillende temperaturen.

    Suikerkorrelig/Granulair
    Een suikerkorrelige massa vinden we nog al eens in kwarts. Door deformatie zijn de kwartsen gebroken in allerlei zeer kleine korreltjes en vervolgens aaneen gekit. Vergelijk ook de naam “Granuliet”. 

     

  • e. U-Z

    • 1. Donkere Xenoliet in Uppsalagraniet.
    • 2. Zonaire eerstelingen in grijze Filipstadgraniet.

    Veldspaten.
    Met veldspaten in een gesteente worden fenokristen (eerstelingen, megakristen) van kaliveldspaat en soms plagioklaas bedoeld.

    Xenoliet
    Een xenoliet is een insluitsel van een vreemd (ouder) gesteente in een stollingsgesteente. We komen ze veel tegen in Kristinehamngranieten en bepaalde stenen uit Ragunda.

    Zonair
    Een kristal (eersteling, megakrist) is zonair van opbouw als de samenstelling van de kern naar de rand concentrisch van kleur en samenstelling verandert. (Zonaire opbouw van een eersteling)


                                   Terug naar begrippen                 Terug naar Startpagina